|
Niet gewend om zelf alle spullen te dragen, liep ze met trage stappen door het mulle zand. De tas op haar rug leek zwaarder dan de 12 kilo aan haar voorkant.

Een verhaal over die eerste dag na zijn vertrek.
Langs de vloedlijn renden kindjes in natte, zanderige onderbroeken. Het was verrassend warm, wat nietsvermoedende toeristen het water in lokte. Voor een paar seconden. De zee had zelfs nog geen hele dag de tijd gehad om op te warmen.
Ze keek om zich heen om een goede neerstrijkplek te bepalen. Plat liggen zou met haar buik niet fijn zijn, dus koos ze de duinrand. De aanraking met het poederzand was een aangename herinnering. Eindelijk eens niet op de harde stoelen van een terras. Gewoon zoals vroeger: tenen ingraven, kuiltje maken voor de billen.
Ze glimlachte naar haar dochter. Nog een paar weken, dan zou ze haar zien. Nog een paar weken, dan zou haar dochter de geuren, geluiden en het gevoel van een lentedag zelf ervaren. Of deed ze dat al, via haar moeders zintuigen?
Het was eigenlijk best fijn, zo op het strand. Ze miste hem niet echt. Of niet echt erg. Maar eigenlijk was hij er ook gewoon. Ze wist precies waar hij naar zou kijken, waar hij iets over zou zeggen: de zeilboot in de verte, de buldozer die opgespoten zand verspreidde, de jeep van de reddingsbrigade, de vissersboot met de wolk meeuwen erachter. Hoewel, die meeuwen vielen haar meer op. Hij zou waarschijnlijk het stampen van de motor nadoen.
Onwillekeurig vroeg ze zich af of hij haar miste. Hij kwam bijna nooit op het idee om naar het strand te gaan, er niet aan gewend als stadsjongen. Vroeger kwam ze hier vier, vijf keer per week. Sinds ze met hem samenwoonde, bijna nooit meer. Wat moet je daar nou, niks te doen, zei hij. Maar misschien zat hij hier vandaag toch, een stukje verderop. Of misschien zat hij aan de andere kant van het land. Zou zomaar kunnen. De weeën van gisteren hadden niet doorgezet, maar als ze terugkwamen, zou hij er niet bij zijn. Niet dat ze gisteren veel aan hem had, maar toch. Zijn telefoon had hij stukgesmeten, voor hij vertrok. Raar idee, dat ze elkaar niet meer konden bereiken, terwijl ze 24 uur geleden nog het liefst de hele dag in zijn armen was gebleven. Het voelde alsof hij daarmee de zware buik een beetje hielp tillen. Het voelde fijn. Maar voor hem dus niet.
Ze wist wel dat het nog niet echt tot haar doordrong, dat hij was vertrokken. Hopelijk kwam de baby voordat ze het echt besefte. Haar blik gleed langs de groepjes strandgangers. Ouders en kinderen. Een man, een vrouw, een kind, twee kinderen. Zou die man een stiefvader zijn? Of de echte vader? Of was die ook al voor de geboorte van dat kindje weggelopen?
Abrupt greep ze haar boek uit haar tas en sloeg het open op de pagina waar ze was gebleven. Ze had nog een heel stuk te gaan. En pas als het uit was, en donker, en koud, zou ze naar huis gaan. Om te wachten.
Suzanne |